woensdag 14 juli 2010

Beestjes

Oke. Ik ruim niet elke dag op, in mijn koelkast leven potjes appelmoes uit 2007, ik draag gekreukte kleren en soms knoei ik tijdens de lunch. Maar in de zomer spoel ik mijn afwas altijd af en vuilniszakken gooi ik onmiddellijk weg nadat ik er eten in heb gegooid. Ik ben namelijk als de dood voor...beestjes! Van hele kleine, zoals - gruwel! - maden tot wat grotere beesten als muizen. Ik ben twee keer verhuisd, omdat er een muis in mijn kamer liep. Eentje maakte het zo bont dat hij (of zij) me stug aan bleef kijken wanneer ik 's nachts, als ik mijn vijand hoorde trippelen, het licht aan deed en de muziek heel hard zette. Gif werkte ook niet. Tijd om te gaan! Het allerergst vind ik kakkerlakken! Op vakantie vroeg ik een keer aan mijn reisgenoot of hij nog eens wilde vertellen over zijn wereldreis en welke enge beesten hij toen tegen kwam. Tijdens zijn verhaal pakte ik wat te drinken en daar zat ie... Meneer Kakkerlak. De rest van de week heb ik me voor het slapen gaan ingepakt in dekens, ook was het 40 graden. En oordoppen in, want ik was zo bang dat ik zijn vrienden over de muur hoorde lopen. Ik krijg er nog rillingen van!
In dit oeroude huisje voelen spinnen zich thuis. Gelukkig zitten ze vooral op het toilet, waar ik altijd beschik over een moordwapen en een een enkeltje richting riool. Natuurlijk kan ik ze ook buiten zetten, maar mijn fluwelen handschoen knijpt altijd te hard. Vandaag alleen al heb ik vier muggen, twee vliegen en een spin dood gemaakt. Voor alle andere dieren ben ik heel lief, echt waar! Ik zou het nooit in mijn hoofd halen om welk beest dan ook pijn te doen. Totdat ik erachter kwam dat ik geen wiskunde- en natuurkundetijger bleek te zijn, wilde ik zelfs dierenarts worden. Maar voor insecten voel ik geen enkele genegenheid.
Ik ken een Tibetaanse vrouw die heel boos wordt als je ook maar een fruitvliegje dood mept, want dat had zomaar je overleden overgrootmoeder kunnen zijn. Sinds ik dat weet voel ik me toch wel schuldig over elke fijngestampte mier. En mijn angst is gegroeid. Wat nou als al die beestjes die ik vermoord heb een keer wraak op mij zullen nemen?

woensdag 7 juli 2010

Oma

Mijn oma is 92 en meer bij de pinken dan menig veertiger. Ze heeft inmiddels enkele kunstheup- en knieen, maar ze woont nog steeds zelfstandig. Met hulp van familie en de buren komt ze een heel eind.
Tijdens mijn studie heb ik een tijdje (om precies te zijn een maand) bij oma gewoond. Sindsdien hebben we een speciale band. Altijd geeft ze me door mij gevraagd advies: welk vriendje moet ik dumpen, hoe kun je nare dingen doorstaan en wat moet je doen om de mensen die je lief hebt te helpen. En dan nog de verhalen over vroeger natuurlijk. Al jaren neem ik me voor om die familieherinneringen op te schrijven. Verhalen over de verhuizing van een boerderij in Groningen naar de stad in het Westen, hoe ze mijn (overigens een paar jaar jongere!) opa heeft ontmoet, de oorlog en herinneringen die ze aan ons heeft. Tot nu toe heb ik nog geen letter op papier en dat neem ik mezelf kwalijk...
Gisteren was oma zoek en na een halve dag bellen bleek ze in het ziekenhuis te liggen: ondervoed en met een rare dikke voet. Gelukkig had mijn oom haar vóór de voetbalwedstrijd Nederland-Uruguay opgespoord, zodat hij nog net op tijd de tv kon installeren. Dankzij oma hebben de zusters op de afdeling het hele verloop van de wedstrijd meegekregen. Alleen aan háár bed durfden zij de vuvuzela's tevoorschijn te halen.
Vandaag ging ik samen met mijn moeder bij oma langs. Ik heb nare herinneringen aan dat ziekenhuis en het stinkt er zo, dat ik moeite moet doen om niet van mijn stokje te gaan. We hadden haar kamer net gevonden toen ze gehaald werd voor het maken van een röntgenfoto. Een broeder, wiens verschijning me bij de eerste aanblik al niet aanstond, tetterde in oma's oor op welke manier ze het beste in de rolstoel moest komen. Dan moet je mijn oma hebben. Die luistert daar echt niet naar, want ze weet zelf veel beter hoe dat moet. En ook gaf ze hem nog een terechte sneer dat hij haar zo lang had laten wachten en dat ze nu dus geen tijd meer had voor een foto. Ja, eigenwijze genen zijn aan beide zijden van mijn familie zeer sterk vertegenwoordigd.
Terug op de afdeling stak de hoofdzuster van wal. Eentje van de oude stempel: een potige dame met een grijze knot, die mijn oma vertelde dat ze maar eens moest denken aan een verzorgingstehuis. Ik kreeg een lichte zenuwinzinking. Het is natuurlijk geen vreemd idee, maar het druist tegen mijn gevoel in dat iemand haar vertelt wat goed voor haar is. Gelukkig is oma mijn oma en vertelde ze vrolijk dat ze al láng thuiszorg had geregeld ('Sinds een week.') en dat ze beschikte over mantelzorg ('Ja, de hulp van 75', aldus mijn moeder). Niks aan het handje dus! Over een paar weken huppelt ze wat haar betreft weer naar het toilet. Het zal haar misschien wat moeite kosten, maar ik weet dat ze het kan!